Wat is een vorstperiode?
|
Update 20 dec 2007: De tekst hieronder is
vrijwel geheel in 2005 opgesteld. Inmiddels blijkt de hier voorgestelde
definitie voor een vorstperiode steeds meer in zwang te raken. Meteo
Consult en Jan Visser (o.a. bekend van Trouw) hanteren hem nu ook! (Ter
referentie laat ik de tekst zoveel mogelijk zoals hij in 2005 was.) Vorstperiode: een tijdvak van minstens vijf dagen op rij met een etmaalgemiddelde temperatuur beneden het vriespunt, waarin de som van etmaalgemiddelde temperaturen -16 graden of lager is. Enkele quotes: Jan Visser, weerpraatje 19 december 2007: "Vandaag noteert De Bilt de vierde dag op rij met een etmaalgemiddelde beneden het vriespunt. Voor een vorstperiode zijn er vijf nodig maar de som van de etmaalgemiddelden moet tenminste -16 bedragen en dat is niet het geval. De gemiddelde temperatuur bedroeg zondag -1,2, maandag -0,7, gisteren -1,8 en vandaag waarschijnlijk opnieuw circa -2 graden. Een som dus van circa -5 en dat is lang niet voldoende om het predikaat ‘vorstperiode’ in de wacht te kunnen slepen." (bron: janvissersweer.nl) Meteo Consult, weernieuws 18 december 2007: "Eerst nog even iets over het begrip vorstperiode. Er bestaat (nog) geen officiële definitie van. Voorlopig hanteren we de volgende definitie: de etmaalgemiddelde temperatuur ligt gedurende minstens vijf dagen onder het vriespunt en de som van de etmaalgemiddelde temperaturen over dat tijdvak moet bovendien -16 graden of lager zijn." (bron: weer.nl) |
Bij mijn weten bestaan er eigenlijk maar drie
thermisch bijzondere tijdvakken die in de media en onder weeramateurs een aparte
naam hebben gekregen: hittegolven, koudegolven en vorstperioden. Er zijn
meerdere redenen waarom ik graag een definitie van een vorstperiode zou hebben:
1) Het is naast de termen “hittegolf” en “koudegolf” één van de drie termen die
gebruikt worden om een periode met bijzondere temperaturen aan te duiden. Voor
een hittegolf en een koudegolf bestaat een concrete definitie, voor een
vorstperiode niet.
2) Vanaf 1901 zijn er 32 officiële koudegolven geweest, waarvan slechts 2 vanaf
1990; zie
hier. Daarentegen zijn er sinds het
begin van de vorige eeuw 38 officiële hittegolven voorgekomen, waarvan maar
liefst 11 vanaf 1990; zie
hier. In ons opwarmende klimaat is het
de verwachting dat het verschil tussen de herhalingsfrequentie van een hittegolf
en een koudegolf alleen maar zal toenemen en dat een koudegolf nóg zeldzamer
gaat worden dan hij nu al is.
3) Aan zachte winters waarin een stevige vorstperiode voorkwam (die niet aan de
strenge criteria van een koudegolf voldeed) kan men toch een winterse
herinnering overhouden, vaak samenhangend met het optreden van schaatsijs. Neem
bijvoorbeeld de winter van 1993, met een koudegetal van 41.2 in De Bilt. Maar
liefst 34.9 punten (85% van het totaal) werden geboekt tijdens een vorstperiode
van 8 dagen (28 december t/m 4 januari), waarin op uitgebreide schaal geschaatst
werd en een toertocht als de Blokzijler Merentocht kon worden verreden (ook
Nederlandse Marathon op natuurijs te Westland). Een dergelijke vorstperiode
verdient het m.i. om uit de brij van cijfers gelicht te worden.
Om dat te kunnen doen zou een vorstperiode van eenvoudig meetbare criteria
voorzien moeten worden, die bovendien in redelijke mate overeenkomen met wat in
het algemeen onder een vorstperiode verstaan wordt. Een dergelijke definitie zou
het ook voor weeramateurs duidelijk maken wanneer ze van een vorstperiode mogen
spreken en wanneer niet. Zo kan bijvoorbeeld op een objectieve manier in de
jaar- en seizoensoverzichten vorstperioden gesproken worden.
Onafhankelijk van elkaar hebben
Meteo Consult (MC),
Cees van Zwieten en ik bedacht dat een eerste criterium voor een
vorstperiode zou kunnen zijn:
1) Een reeks van tenminste 5 dagen
waarop de etmaalgemiddelde temperatuur beneden het vriespunt ligt.
Meteo Consult gebruikt alleen dit ene criterium voor een vorstperiode. Ik heb
voor De Bilt vanaf 1901 eens een lijst samengesteld met de vorstperioden die we
volgens de Meteo Consult definitie hebben gehad. Het blijken er maar liefst 176
te zijn. Klik hier
voor een lijst van deze 176 tijdvakken. Een duidelijk probleem dat ik met
definitie heb, is dat perioden als 12-16 nov 1925 (3.6 Hellmannpunten) en 12-16
feb 1952 (3.7 Hellmannpunten) wél tot de vorstperioden gerekend worden en een
5-daagse periode als 3-7 dec 1933 (met 25.6 Hellmannpunten, máár Tg = 0.0°C op
de 7e) niet in het lijstje voorkomt. Er is m.i. dus een betere balans nodig
tussen duur (minimaal 5 dagen) en intensiteit.
Cees van Zwieten kwam met een aanvullend criterium: er moesten 3 ijsdagen in het
tijdvak van minimaal 5 Hellmanndagen zitten.
Klik hier voor een
lijst van de 112 tijdvakken die deze definitie oplevert. Nu mis ik echter
een periode als 10 t/m 17 februari 1902 (30.5 Hellmannpunten, 7x matige vorst,
3x strenge vorst, gem. Tx = +1.7°C, gem. Tn = -9.0°C), terwijl 22 t/m 26 januari
1946 (10.4 Hellmannpunten, 1x matige vorst, geen strenge vorst, gem. Tx =
-0.1°C, gem. Tn = -4.3°C) wel een vorstperiode mag heten.
Ik heb gezocht naar een criterium dat uitgaat van de bijdrage aan het koudegetal
tijdens de Hellmannperiode. De Hellmannsom tijdens een vorstperiode is immers
het oppervlak van de etmaaltemperatuur-'curve' beneden de nullijn en een
geschikte maat voor de kouproductie tijdens die periode.
Als absolute voorwaarde had ik gesteld dat alle Hellmannperioden vanaf 1901
(vorstperioden volgens de MC-definitie) waarbinnen zich 5
of meer ijsdagen bevonden (de minimale lengte van een vorstperiode) altijd een
vorstperiode zouden moeten heten, ongeacht de Hellmannsom binnen die periode. Van
alle Hellmannperioden vanaf 1901 met daarin 5 of meer ijsdagen (niet per se op
rij) had de vorstperiode van 2 t/m 9 januari 1955 (deze bevatte zelfs 6 ijsdagen
op rij) de kleinste bijdrage aan het koudegetal: 16.3 Hellmannpunten. Op die
manier kwam ik op het tweede, aanvullende criterium voor een vorstperiode:
2) De som van etmaalgemiddelde temperaturen moet
-16 of lager zijn.
Toevalligerwijs komt die minimumwaarde van 16 Hellmannpunten overeen met de
ervaring van Cees van Zwieten, dat voor schaatsen op "buitenijs" vaak 16
Hellmannpunten nodig zijn. Hij schreef mij in een reactie op dit voorstel: "Jouw
definitie, met K>=16,0, is volgens mij een zeer bruikbare. Het voordeel is, dat
je daarmee vrijwel alle schaatsperioden vangt. Ik heb er wel over gedacht om die
16 in de definitie op te nemen."
Bovendien is het getal 16 bekend uit de regel
van Braak m.b.t. schaatsijs.
Uiteindelijk levert de definitie van een vorstperiode met de twee bovengenoemde
criteria voor De Bilt 125 vorstperioden op vanaf 1901, zie de lijst hieronder. Dat lijkt misschien veel,
maar houdt nog altijd in dat 1 op de 3 winters (37/107) vanaf 1901 geen
vorstperiode kende. Winters zonder vorstperiode in De Bilt waren die van 1905,
1906, 1910, 1911, 1913, 1915, 1916, 1920, 1923, 1925, 1927, 1930, 1932, 1935,
1938, 1944, 1949, 1952, 1957, 1958, 1961, 1973, 1974, 1975, 1977, 1981, 1984,
1988, 1989, 1990, 1995, 1998, 2000, 2002, 2004, 2006 en 2007.
Het bovenstaande is in een notendop de motivatie voor de op deze site gebruikte definitie van
een vorstperiode:
Vorstperiode: een tijdvak van minstens vijf dagen op rij met een
etmaalgemiddelde temperatuur beneden het vriespunt, waarin de som van
etmaalgemiddelde temperaturen -16 graden of lager is.
Hieronder is een tabel te zien met alle vorstperioden in De Bilt vanaf 1901,
volgens deze definitie. Om van een landelijke vorstperiode te spreken moet er in
De Bilt sprake zijn van een vorstperiode. Is elders sprake van een vorstperiode
maar niet in De Bilt, dan is het een regionale vorstperiode i.p.v. een
landelijke vorstperiode. Dit in analogie met de definities van landelijke hitte-
en koudegolven. Via "Vorstperioden" in het linkermenu zijn ook lijsten
beschikbaar voor de overige 9 KNMI stations.
